Sociaal-maatschappelijke aanjager na 21 jaar sociaal domein met pensioen

10-01-2023 480 keer bekeken 0 reacties

Fred Nilsen was nauw betrokken bij het Regionaal Werkbedrijf Flevoland (RWF). Als verbinder in het sociale domein stond hij aan de wieg van menig sociaal project en stimuleerde hij vernieuwing. Een openhartig gesprek met Fred Nilsen, die eind december met vervroegd pensioen ging.

Naar Lelystad

Fred Nilsen is telg van Rotterdamse ouders en groeide op in Maastricht. Hij studeerde sociologie en sociale economie aan de Universiteit Utrecht en woont in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij vijftien jaar bij de Technische Universiteiten Delft en Eindhoven. Het werkterrein Personeel en Organisatie lag hem wel. De wetenschappelijke wereld ook, die toen – we spreken over de jaren tachtig - midden in een overgang zat van de oude garde hoogleraren naar een nieuwe lichting. Maar allengs groeide bij Fred de wens om meer in het sociale domein te werken: “Ik ben socioloog van huis uit en kijk ook als socioloog naar hoe dingen zich ontwikkelen. Bij de TU’s zat ik in een ondersteunende rol, maar hoorde niet bij de wetenschappelijke staf. Toen er een vacature voorbijkwam bij de Sociale Dienst van Lelystad heb ik daar met succes op gereageerd met als gevolg dat ik in 2001 als beleidsadviseur aan de slag ging.” Hij kwam in Lelystad bij Werk & Inkomen in een tijd waarin er rond de gemeentelijke regeling werkvoorzieningsschap IJsselmeergroep en  Impuls– veel te doen was. “De eerste vier jaar verliepen erg rommelig”, herinnert Fred zich. “Het was een financieel turbulente periode. Ik heb toen wel veel geleerd over hoe de sociale zekerheden in elkaar zitten. Daar heb ik later veel profijt van gehad.” Uit dit samenwerkingsverband is het huidige Concern voor Werk ontstaan.

 

Succesvolle projecten

In 1995 kwamen er bredere beleidsontwikkelingen. Fred kreeg toen onderwijs erbij en met de portefeuille onderwijs & arbeidsmarktbeleid  ging zich bezighouden met het Grotestedenbeleid (GSB), dat destijds onder het Kabinet Kok werd ingevoerd. Later kwam daar de Metropoolregio Amsterdam (MRA) nog bij. Het GBS had tot doel om wonen, werken en leven in de 45 grote steden – waaronder Lelystad - te verbeteren. Eerder was het de G-27 – Almere hoorde er toen nog niet bij. Inmiddels zijn er ruim 40 steden bij aangesloten, inclusief Almere. Ondanks dat de GSB-middelen er niet meer zijn, vindt Fred de G-40 nog steeds een belangrijk orgaan waarbij het Rijk meepraat met de middelgrote gemeenten. Hij licht toe: “Binnen het kader van de G-40 hebben we op het terrein van de aanpak van jeugdwerkloos veel voortgang weten te boeken. Hieruit is feitelijk in 2017 het project Lelytalent ontstaan. Het is was een mooi voorbeeld van het concretiseren van de ideeën die we destijds binnen het GSB hebben neergelegd. Het doel van dit project is om voor kwetsbare doelgroepen een fluïde overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt te creëren. Kwetsbare jongeren hebben immers een langere tijd nodig en een andere manier van begeleiden om op hun plek terecht te komen.”  

Met het Lelystad Akkoord wilden we de sociaaleconomische positie van Lelystad duurzaam verbeteren en zijn we gezamenlijk gaan werken aan de inclusieve arbeidsmarkt.

Not invented here

Voordat Lelytalent startte stond Fred Nilsen eveneens aan de wieg van het Lelystad Akkoord. Het Lelystad Akkoord is een samenwerking van overheid, onderwijs, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen. “Met het Lelystad Akkoord wilden we de sociaaleconomische positie van Lelystad duurzaam verbeteren en zijn we gezamenlijk gaan werken aan de inclusieve arbeidsmarkt”, zegt Fred die erop wijst dat er meer dan tweehonderd werkgevers zich aangesloten hebben bij het Lelystad Akkoord die tezamen ervoor zorgen dat kwetsbare mensen kansen krijgen op de arbeidsmarkt. De aanpak is gebaseerd op kennisoverdracht door middel van bijvoorbeeld masterclasses om zodoende te werken aan houding en gedragsverandering. Waarom deze aanpak niet ook provincie breed uitgerold? Fred Nilsen geeft toe dat het spijtig is dat de succesvolle Lelystadse aanpak niet ook elders in de regio is overgenomen. “Dat is wel teleurstellend, maar misschien zijn we ook wel een beetje eigenwijs in Flevoland en hebben we nu eenmaal ook met het not-invented-here syndroom te maken.”  Er zijn ook een aantal lichtpuntjes, geeft Fred aan. En die liggen bijvoorbeeld op het gebied van de aanpak jeugdwerkloosheid binnen het RWF. Fred nam deel aan het landelijke Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar kwetsbare jongeren. Het ging daarbij om jongeren die moeite hebben duurzaam aan de slag te komen en te blijven. Het IBO constateerde als belangrijk knelpunt het gebrek aan ketenaanpak. Het neerleggen bij de gemeenten van de Integrale wettelijke verantwoordelijkheid 16-27-jarigen werd als mogelijke oplossing aangedragen. Bij de crisis en herstelmaatregelen in het kader van de coronacrisis werden de voorgestelde maatregelen van het IBO- rapport een op een opgenomen in het beleid. Met enige vertraging is er binnen het RWF nu draagvlak om deze maatregelen te implementeren.

Zeker wat de Participatiewet betreft is de gemeentelijke beleidsruimte beperkt. Heeft toch veel weg van een keurslijf, maar je hebt als gemeente wél het financiële risico.

Franchiseorganisatie

Fred Nilsen roert de decentralisaties in het sociale domein aan. De centrale gedachte achter deze omvangrijke stelselwijziging was dat gemeenten de ondersteuningstaken voor kwetsbare burgers beter zouden kunnen uitvoeren dan hogere bestuurslagen. De invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet betekende een forse uitbreiding van de gemeentelijke verantwoordelijkheid op dit terrein. Wat hebben de decentralisaties gebracht? Fred legt uit dat het uiteindelijke doel van de decentralisaties moet resulteren in meer participatie van burgers, een zorgzamere samenleving en een helder en houdbaar stelstel. Maar het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeerde twee jaar geleden al dat de praktijk weerbarstig is en dat het voor gemeenten lastig is gebleken om aan de hooggespannen verwachtingen, zoals integraal werken, betere samenwerking en meer maatwerk, te voldoen. Fred blikt terug: “Gemeentes waren erg ambitieus. Ondanks grote bezuinigingen zouden we dit beter kunnen doen dan onze voorgangers. Bepaald naïef. Zeker wat de Participatiewet betreft is de gemeentelijke beleidsruimte beperkt. Heeft toch veel weg van een keurslijf, maar je hebt als gemeente wél het financiële risico. Het heeft iets weg van een franchiseorganisatie, die het met drie verschillende gedecentraliseerde wetten moet zien te rooien.

Op het terrein van de informatievoorziening in de sociale zekerheid is de laatste jaren voortuitgang geboekt. Aan eenduidigheid is nog een heel terrein te winnen. De arbeidsmarktregio is de optelsom van data die terug te herleiden zijn tot de 5 deelnemende gemeenten. Het gaat er vooral om dat de gemeenten lokale informatie krijgen, aan regionale info heb je op lokaal niveau niet zo veel om gericht beleid te voeren.”

Het hele pakket aan e dienstverlening, zou basaal in iedere gemeente beschikbaar moeten zijn. Eén en ander vanuit een licht overkoepelende structuur, met een programmabureau dat faciliterend is om de processen soepel te laten verlopen.

Voorbeeld: Zelfstandigen Loket

Fred constateert dat er een fundamentele ontwerpfout in de sociale zekerheid zit. Hij doelt op de splitsing tussen UWV en de gemeenten. “Mijn stelling is: het maakt niet uit of je het allemaal onderbrengt bij het UWV of bij de gemeenten. Echter het UWV is een centraal aangestuurde organisatie. Terwijl de gemeenten lokaal zijn, verantwoordelijkheid afleggen aan hun eigen gemeenteraad en risicodragend zijn. Maar de andere partijen aan tafel lopen geen risico, daardoor loopt de discussie over ontschotte budgetten ook zo stroef. In mijn visie zou het RWF naar het voorbeeld van het coördinerende model van het Zelfstandigen Loket Flevoland (ZLF) zich moeten opsplitsen naar opgaven. Lelystad voert sinds 2004, in opdracht van de gemeenten in Flevoland voor deze gemeenten de zelfstandige regelingen uit. Er is een beleidsplan, een jaarlijks werkplan en het ZLF legt jaarlijks verantwoording af aan de deelnemende gemeenten. Als de opgaven zo over de betrokken partijen verspreid worden wordt het draagvlak en de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de opgaven van de regionale arbeidsmarkt versterkt.

Laten we eerlijk zijn: niemand van Urk gaat toch voor dienstverlening W&I naar Almere?

Het hele pakket aan dienstverlening, zou basaal in iedere gemeente beschikbaar moeten zijn. Eén en ander vanuit een licht overkoepelende structuur, met een programmabureau dat faciliterend is om de processen soepel te laten verlopen. Dat is naar mijn mening de beste en meest eenvoudige constructie, die voor het publiek herkenbaar is met dienstverlening die makkelijk te vinden en toegankelijk is. Want laten we eerlijk zijn: niemand van Urk gaat toch voor dienstverlening W&I naar Almere?”, zegt Fred Nilsen tot besluit.

Tekst en fotografie: Cees Steijger 

 

Cookie-instellingen